Waar de noordelijke Nederlanden hun Gouden Eeuw beleefden met meesters als Rembrandt en Vermeer, kenden de Zuidelijke Nederlanden een eeuwenlange, invloedrijke schildertraditie. Al in de vijftiende eeuw verfijnden de schilders die later bekend zouden worden als de Vlaamse Primitieven de mogelijkheden van de olieverftechniek. In de zeventiende eeuw vormde Antwerpen het kloppende hart van de contrareformatorische barok, terwijl Belgische kunstenaars in de twintigste eeuw een geheel eigen, herkenbare invulling gaven aan stromingen als het surrealisme en expressionisme. Dit zijn tien van de beroemdste Vlaamse en Belgische schilders uit de kunstgeschiedenis.
10. Jacob Jordaens (1593 – 1678)

Naast Peter Paul Rubens en Anthony van Dyck vormde Jacob Jordaens het derde grote boegbeeld van de Antwerpse barok. In tegenstelling tot zijn twee tijdgenoten reisde Jordaens nooit naar Italië om klassieke voorbeelden te bestuderen. Zijn stijl bleef daardoor opvallend aards, direct en geworteld in de lokale Vlaamse leefwereld.

Jordaens werd bekend om zijn monumentale, luidruchtige genrescènes vol overvloedige feestmalen, drinkers en doedelzakspelers. Werken als De koning drinkt en Zo de ouden zongen, zo piepen de jongen combineren morele lessen met een herkenbare levenslust. Na het overlijden van Rubens in 1640 groeide Jordaens uit tot de belangrijkste en meest gevraagde schilder van Antwerpen, met opdrachten voor vorstenhuizen en kerken in heel Europa.
9. Paul Delvaux (1897 – 1994)
De Brusselse schilder Paul Delvaux ontwikkelde een volstrekt eigen beeldtaal binnen het magisch realisme en surrealisme. Hoewel hij geen officieel lid was van de Parijse surrealistengroep rond André Breton, nam hij wel deel aan internationale surrealistische tentoonstellingen.
Zijn doeken worden gekenmerkt door een beklemmende, dromerige stilte: klassieke zuilengalerijen, verlaten treinstations bij maanlicht en mysterieuze, strak voor zich uit starende vrouwenfiguren keren voortdurend terug. Zijn melancholische nachtscènes behoren tot de meest karakteristieke Belgische kunstwerken van de twintigste eeuw.
8. Rogier van der Weyden (ca. 1399 – 1464)

Rogier van der Weyden behoorde tot de invloedrijkste schilders van de vroege Nederlanden en werkte decennialang als officieel stadsschilder van Brussel. Waar tijdgenoot Jan van Eyck vooral opviel door zijn bijna microscopische observatie van de materiële werkelijkheid, legde Van der Weyden de nadruk op intense menselijke emoties, smart en devotie.

Zijn meesterwerk, De Kruisafneming (te zien in het Prado in Madrid), toont wenende figuren rond het dode lichaam van Christus met een theatraal en invoelbaar realisme. De ritmische compositie en de doorzichtig geschilderde tranen op de wangen van de omstanders maakten grote indruk op tijdgenoten, waardoor zijn composities tot ver buiten de Nederlanden navolging kregen.
7. James Ensor (1860 – 1949)

Vanuit zijn atelier boven de souvenirwinkel van zijn familie in Oostende verzette James Ensor zich hevig tegen de academische kunstconventies van zijn tijd. Hij verruilde traditionele technieken voor felle kleuren, groteske skeletten en carnavalsmaskers om de hypocrisie van de burgerij en het establishment te hekelen.

Zijn monumentale doek De intrede van Christus in Brussel in 1889 werd pas in 1929 voor het eerst aan het publiek tentoongesteld. Ensor had in zijn vroege jaren regelmatig te maken met afwijzing van zijn werk en forse kritiek op zijn vernieuwende stijl, maar groeide later uit tot een van de belangrijkste wegbereiders van het moderne expressionisme.
6. Hans Memling (ca. 1430 – 1494)

Na de dood van Rogier van der Weyden vestigde Hans Memling zich in het welvarende Brugge, waar hij uitgroeide tot een veelgevraagd schilder voor rijke kooplieden en internationale opdrachtgevers, onder wie vooraanstaande Italiaanse bankiers. Memlings werk kenmerkt zich door een serene harmonie, evenwichtige composities en een verfijnde lichtinval. Zijn houten Ursulaschrijn in het Brugse Sint-Janshospitaal, beschilderd als een miniatuurkapel, geldt als een van de hoogtepunten van de laatmiddeleeuwse kunst.
5. Anthony van Dyck (1599 – 1641)

Anthony van Dyck gold al op jonge leeftijd als een uitzonderlijk talent in Antwerpen, waar hij nauw samenwerkte met Rubens. Zijn grootste triomfen vierde hij echter in Londen. Als hofschilder van koning Charles I herdefinieerde Van Dyck het aristocratische staatsieportret.
In plaats van stijve, zware houdingen gaf Van Dyck zijn adellijke opdrachtgevers een zwierige elegantie met glanzende zijden gewaden, verfijnde handen en bedachtzame blikken. Zijn stijl vormde de basis voor de Britse portrettraditie, waarin latere meesters als Thomas Gainsborough en Joshua Reynolds eeuwen later zouden voortbouwen.
4. Pieter Bruegel de Oude (ca. 1525 – 1569)

Weinig zestiende-eeuwse schilders hebben het dagelijks leven zo levendig verbeeld als Pieter Bruegel de Oude. Hoewel hij later in de kunstgeschiedenis vaak ‘Boeren-Bruegel’ werd genoemd, was hij zelf een belezen stadsmens die verkeerde in intellectuele kringen in Antwerpen en Brussel.
Bruegel schilderde met een scherp oog voor sociale verhoudingen en menselijke dwaasheid. In doeken als De boerenbruiloft en Nederlandse Spreekwoorden wemelt het van krioelende figuren, feestgangers en volkse gebruiken. Zijn winterlandschappen, met Jagers in de sneeuw als bekendste voorbeeld, worden door kunsthistorici vaak in verband gebracht met het koudere klimaat en de strenge winters van de zestiende eeuw.

Door zijn vroege overlijden liet hij een compact oeuvre van ongeveer veertig schilderijen na, maar zijn zonen Pieter Brueghel de Jonge en Jan Brueghel de Oude zorgden ervoor dat zijn kenmerkende stijl en motieven nog generaties lang werden gekoesterd.
3. René Magritte (1898 – 1967)
Waar veel buitenlandse surrealisten kozen voor een extravagante levensstijl, woonde René Magritte in een bescheiden woning in Brussel en schilderde hij in keurig pak. Juist dat alledaagse decor maakte zijn beeldende raadsels zo krachtig.
Met schijnbaar eenvoudige, academisch geschilderde voorwerpen zette Magritte de werkelijkheid op losse schroeven. Zijn schilderij La trahison des images uit 1929, waarop een tabakspijp is afgebeeld met het onderschrift Ceci n’est pas une pipe (‘Dit is geen pijp’), dwong toeschouwers na te denken over de relatie tussen taal, werkelijkheid en afbeelding. Terugkerende motieven zoals mannen met bolhoeden, zwevende appels en daglichthemels boven nachtelijke straten maakten hem tot een van de bekendste surrealistische kunstenaars ter wereld.
2. Jan van Eyck (ca. 1390 – 1441)

Jan van Eyck was hofschilder van de Bourgondische hertog Filips de Goede en geldt als de belangrijkste figuur van de vroege Vlaamse schilderkunst. Hoewel vaak werd beweerd dat hij de uitvinder van de olieverf was, bestond deze techniek al eeuwen vóór zijn geboorte. Van Eycks werkelijke prestatie was dat hij de samenstelling van drogende oliën en het aanbrengen van transparante verflagen zó verfijnde dat hij een ongekende diepte, glans en detailweergave wist te bereiken.
Zijn beroemdste werk is het Lam Gods (1432) in de Sint-Baafskathedraal in Gent, een monumentaal veelluik dat werd begonnen door zijn broer Hubert en door Jan werd voltooid. De nauwgezette weergave van juwelen, stoffen, planten en lichtreflecties markeert een belangrijk keerpunt in de Europese schilderkunst.

In het bekende Arnolfini-portret toont een bolle spiegel aan de achterwand twee minieme figuren in de deuropening, vergezeld van de inscriptie dat Jan van Eyck aanwezig was. Hoewel kunsthistorici vermoeden dat een van die figuren de schilder zelf kan zijn, blijft de precieze betekenis van de compositie onderwerp van onderzoek.
1. Peter Paul Rubens (1577 – 1640)

Peter Paul Rubens was veel meer dan een begenadigd schilder: hij was een humanist, geleerde en diplomaat. Vanuit zijn atelier in Antwerpen leidde hij een grote werkplaats waar assistenten en specialisten meewerkten aan reusachtige doeken voor kerken, vorsten en verzamelaars in Madrid, Parijs en Londen. Als diplomaat namens het Brusselse hof speelde hij bovendien een actieve rol in de onderhandelingen die in 1630 leidden tot een vredesverdrag tussen Spanje en Engeland.

In zijn kunst belichaamt Rubens de vormentaal van de contrareformatie. Zijn stijl kenmerkt zich door wervelende beweging, dramatische licht-donkercontrasten en weelderige lichaamsvormen, waaraan de term ‘rubensiaans’ zijn betekenis ontleent. Zijn monumentale altaarstukken in de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal van Antwerpen, waaronder De kruisoprichting en De kruisafneming, vestigden de Vlaamse barok definitief in de Europese canon.

Reageren