10 Bekende Filosofische Concepten

7 min lezen
Maak ons je Google favoriet

Filosofie betekent letterlijk liefde voor wijsheid, van het Griekse philos en sophia. In de praktijk komt het er vooral op neer dat mensen al tweeduizend jaar bakkeleien over de vraag wat we kunnen weten, hoe we moeten leven en wat een mens eigenlijk is.

Daarbij is een vocabulaire ontstaan dat van buitenaf ondoordringbaar oogt. Toch zitten er achter die termen vaak verrassend eenvoudige ideeën. Dit zijn tien begrippen die je in vrijwel elke filosofische discussie tegenkomt, uitgelegd zonder omhaal.

10. Solipsisme

Solipsisme komt van solus (alleen) en ipse (zelf) en betekent dus zoiets als alleen het zelf. In de sterke, metafysische variant bestaat er werkelijk niets buiten jouw bewustzijn: andere mensen, de wereld en deze tekst zijn allemaal voorstellingen in jouw hoofd. De zwakkere, kennistheoretische variant is bescheidener en zegt alleen dat je nooit zeker kunt weten of er iets buiten je eigen geest bestaat.

De redenering is lastig te weerleggen: je kunt alleen bij je eigen bewustzijn naar binnen kijken, dus alles daarbuiten blijft een aanname. Bertrand Russell vertelde daarover een anekdote die de zwakke plek meteen blootlegt. Hij kreeg een brief van de logica Christine Ladd-Franklin, die schreef overtuigd solipsist te zijn en zich erover te verbazen dat niet meer mensen dat waren. Aan wie ze die brief precies richtte, bleef onbesproken.

9. Determinisme

Determinisme stelt dat elke gebeurtenis, inclusief je gedachten en je keuzes, volledig wordt bepaald door wat eraan voorafging. In de radicale versie lag alles al vast bij het begin van het heelal, en is de ervaring dat je zelf iets kiest een prettige vergissing.

Einstein dacht er ongeveer zo over. In een interview uit 1929 zei hij dat alles vastligt, voor de mens net zo goed als voor de ster, en dat we allemaal dansen op een deuntje van een onzichtbare fluitspeler in de verte. Overigens hoef je geen alles-of-nietskeuze te maken: het compatibilisme houdt vol dat determinisme en vrije wil prima samengaan, zolang je vrijheid opvat als handelen zonder dwang van buitenaf en niet als het doorbreken van natuurwetten.

8. Utilitarisme

Utilitarisme, van het Latijnse utilitas (nut), beoordeelt handelingen puur op hun gevolgen. Goed is wat het meeste welzijn oplevert voor het grootste aantal betrokkenen. Jeremy Bentham (1748-1832) werkte het uit tot een rekenmethode en probeerde plezier en pijn zelfs te kwantificeren naar intensiteit, duur en zekerheid.

John Stuart Mill (1806-1873) maakte de theorie in 1861 bruikbaar door onderscheid te maken tussen hogere en lagere genoegens. Zijn beroemdste formulering luidt dat het beter is een ontevreden Socrates te zijn dan een tevreden dwaas. Later breidde Peter Singer de kring uit naar dieren, met het argument dat wat telt niet is of een wezen kan redeneren maar of het kan lijden. Bentham zelf ligt trouwens nog altijd, aangekleed en wel, in een vitrine in University College London, precies zoals hij in zijn testament had bepaald.

7. Epicurisme

Epicurisme is de bekendste filosofische stroming die door bijna iedereen verkeerd wordt begrepen, en ook in een van onze andere lijsten over tien filosofische stromingen terugkomt. Wie de term vandaag gebruikt, denkt aan lekker eten en wijn. Epicurus zelf leefde van brood en water, met kaas als uitzonderlijke traktatie, en waarschuwde uitdrukkelijk tegen luxe en tegen seksuele avonturen.

Zijn genot bestond uit de afwezigheid van lichamelijke pijn en geestelijke onrust. De weg daarheen liep via vriendschap, matigheid en het afleren van angst, vooral angst voor de goden en voor de dood. Zijn bekendste redenering daarover is nog steeds waterdicht van opbouw: zolang wij er zijn, is de dood er niet, en zodra de dood er is, zijn wij er niet. In zijn Tuin, buiten de muren van Athene, waren vrouwen en slaven welkom als leerling, wat voor die tijd hoogst ongebruikelijk was.

6. Positivisme

Een positivist gelooft dat geldige kennis alleen voortkomt uit waarneming, meting en experiment. Wat je niet kunt toetsen, valt buiten het bereik van kennis. Metafysische vragen over de ziel of over een uiteindelijke bedoeling van het bestaan zijn daarmee niet zozeer onbeantwoordbaar als wel zinloos.

Let op de valkuil: in het dagelijks taalgebruik betekent positief ingesteld iets heel anders. Een positivist is geen optimist.

Auguste Comte geldt als grondlegger en bedacht ook het woord sociologie, dat hij aanvankelijk sociale fysica noemde. Thomas Huxley, de bioloog die bekendstond als de buldog van Darwin, wordt vaak in één adem genoemd, maar hij was juist een uitgesproken tegenstander van Comte. Hij vond diens latere Religie van de Mensheid katholicisme zonder christendom. Wat Huxley wel bijdroeg was het woord agnosticisme, dat hij in 1869 muntte voor het standpunt dat je bepaalde dingen eenvoudigweg niet kunt weten.

5. Absurdisme

Het absurde ontstaat volgens Albert Camus (1913-1960) niet in de wereld en niet in de mens, maar tussen die twee in. Wij zoeken zin, het universum zwijgt, en die botsing is het absurde. Elke poging om er alsnog een sluitende betekenis in te lezen, of dat nu via religie of via een ideologie gaat, noemde hij een sprong die je niet mag maken.

Zijn antwoord was niet opgeven maar volhouden zonder illusies: het lot doorzien en toch doorgaan. Camus wordt vaak bij het existentialisme ingedeeld, maar hij verzette zich daar nadrukkelijk tegen en brak er uiteindelijk op met Sartre. Het verschil zit hem hierin: waar Sartre stelt dat je zelf betekenis schept, houdt Camus vol dat er geen betekenis is en dat je daar precies mee moet leren leven.

4. Objectivisme

Ayn Rand (1905-1982) werd geboren in Sint-Petersburg, ontvluchtte de Sovjet-Unie en bouwde in de Verenigde Staten een filosofie op die ze objectivisme noemde. Het uitgangspunt is dat de werkelijkheid bestaat onafhankelijk van wat wij ervan vinden, en dat de rede het enige middel is om haar te kennen.

Daaruit volgt bij haar een ethiek van rationeel eigenbelang: je hoogste morele doel is je eigen geluk, en zelfopoffering is geen deugd maar een fout. Politiek vertaalt zich dat in ongeremd kapitalisme en een minimale overheid. Haar invloed loopt vooral via haar romans De eeuwige bron en Atlas in staking, die miljoenen exemplaren verkochten. In de academische filosofie wordt haar werk daarentegen nauwelijks serieus genomen, iets wat objectivisten toeschrijven aan vooringenomenheid en critici aan de cirkelredeneringen in haar ethiek.

3. Seculier humanisme

Seculier humanisme zet de mens centraal zonder een beroep te doen op iets bovennatuurlijks. Moraal komt niet van boven maar uit rede, ervaring en inleving in anderen. Betekenis moet je zelf maken, en verantwoordelijkheid kun je niet doorschuiven naar een hogere macht.

Dat is iets anders dan zeggen dat alles maar goed is. Humanisten verwerpen doorgaans juist het idee dat moraal een kwestie van smaak is, en beroepen zich op wat mensen aantoonbaar schaadt of helpt. Nederland speelde hier een hoofdrol: in 1952 werd in Amsterdam de internationale humanistische koepel opgericht, en de bijbehorende Amsterdamse verklaring geldt nog altijd als het uitgangspunt van de beweging. Bekende humanisten zijn Bertrand Russell, Kurt Vonnegut en Richard Dawkins. Nietzsche hoort er niet bij: die moest van het humanistische mensbeeld weinig hebben en spotte er openlijk mee.

2. Nihilisme

Nihil is Latijn voor niets. Nihilisme ontkent dat er betekenis, waarde of objectieve moraal bestaat. De term raakte ingeburgerd via de Russische roman Vaders en zonen uit 1862 en is daarna onlosmakelijk verbonden geraakt aan de beroemde filosoof Friedrich Nietzsche.

Belangrijk misverstand: Nietzsche was zelf geen nihilist. Hij stelde het vast als diagnose. Zodra de christelijke waarden hun geloofwaardigheid verliezen, schreef hij, valt het hele bouwwerk van betekenis om, en dat noemde hij de ongemakkelijkste gast die zich aandient. Zijn Übermensch was een poging tot antwoord: iemand die na die instorting eigen waarden schept. Dat de nazi’s daar later een rassenleer van maakten, komt vooral door zijn zus Elisabeth, die na zijn instorting zijn nalatenschap beheerde en zijn notities naar eigen inzicht bundelde en aanprees.

1. Dualisme

Dualisme betekent dat de werkelijkheid uit twee onherleidbare grondsoorten bestaat. De bekendste variant is die van Descartes, die in de zeventiende eeuw stelde dat er denkende substantie en uitgebreide substantie is: geest en materie, twee volstrekt verschillende dingen. Zijn eigen verklaring voor hoe die twee elkaar toch beïnvloeden, ergens in de pijnappelklier, overtuigde vrijwel niemand, en dat probleem heet sindsdien het interactieprobleem.

De tegenpool is niet het determinisme maar het materialisme, dat volhoudt dat alles inclusief bewustzijn uiteindelijk uit materie bestaat. Daarnaast bestaat er ethisch dualisme, waarin goed en kwaad twee zelfstandige krachten zijn, zoals in het zoroastrisme en het manicheïsme. Yin en yang wordt daar vaak bijgehaald, maar past er eigenlijk niet in: die twee zijn geen tegenstanders maar aanvullende helften die elkaar nodig hebben en voortdurend in elkaar overgaan.

Meer in Geschiedenis

Reacties (2)

2 reacties

  1. Je kan ook geloven dat een immaterieele ziel deterministisch werkt. En meestal wordt een ziel as immaterieel gedefinieerd en is dus niet mogelijk in een materialistisch wereld beeld.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Populair in Geschiedenis