10 Bekende Filosofische Stromingen Uitgelegd

13 min lezen
Maak ons je Google favoriet

Filosofie is de kunde van de wijsheid en kennis, het woord bestaat uit de Oudgriekse woorden philos (houden van) en sophia (kennis, wijsheid). Om kennis te vergaren, en soms ook om die te verspreiden, al was dat laatste niet elke beroemde filosoof even veel gelegen, hebben denkers door de eeuwen heen geprobeerd wijs te worden uit de wereld en de innerlijke gedachten van de mens. Binnen de filosofie bestaan grote zogeheten “stromingen”: groepen filosofen die het min of meer met elkaar eens zijn over belangrijke aspecten, maar geregeld lijnrecht tegenover filosofen buiten die stroming staan. Deelnemers binnen zo’n stroming delen vaak een vergelijkbare kijk op vragen als “wat is kennis”, “wie of wat is de mens” en “hoe, als dat al kan, kunnen wij de waarheid kennen?”.

Die stromingen zijn natuurlijk lang niet zo uniform en eensgezind als we hier even laten lijken. Filosofen binnen dezelfde stroming kunnen van mening verschillen tot op het bot. Wat wel vaak overeenkomt tussen filosofen binnen een stroming, is hun aandacht voor bepaalde vragen, de klassieke denkers waarop ze voortbouwen, en grofweg hoe ze aankijken tegen vrije wil, de mogelijkheid van één waarheid en de positie van de mens in het universum.

We schetsen hier tien stromingen die naar onze mening het meest bekend en relevant zijn, gebaseerd op dit overzicht, waar nog veel meer stromingen te vinden zijn voor wie meer wil weten. De volgorde is niet naar belangrijkheid, wij zijn te bescheiden om zo’n rangorde te durven maken, maar grofweg naar tijdsperiode van ontstaan. We beginnen in de oudheid en werken ons geleidelijk naar de huidige tijd.

10. Scepticisme en cynisme, Oude Griekenland

Om ruimte te besparen behandelen we op de eerste twee plekken twee stromingen die in tijd dicht bij elkaar liggen: het scepticisme en het cynisme.

De sceptische stroming ontstond rond 350 voor Christus, net als het cynisme in Griekenland. De grondlegger van het scepticisme is Pyrrho van Elis, en centraal staat het idee dat de mens van nature niet in staat is om iets met absolute zekerheid te weten. Volgens Pyrrho zijn onze aannames over de wereld altijd weer gebaseerd op andere aannames, zodat we nooit iets kunnen stellen zonder dit uiteindelijk op wankele grond te baseren. De enige juiste filosofische houding is volgens hem oordeelonthouding: nooit een definitief oordeel vellen. Als voor elk argument ook een tegenargument te vinden is, is de enige verstandige houding er een van complete rust en berusting. Kort samengevat: scepticisme staat voor een uiterst terughoudende houding tegenover kennis, want vergaring ervan is volgens Pyrrho een hopeloze zaak. De stroming bleef trouwens niet beperkt tot Pyrrho’s eigen tijd: eeuwen later borduurden filosofen als Sextus Empiricus er nog op voort, tot ver in de tweede en derde eeuw na Christus.

Let op: filosofische sceptici hebben een heel andere kijk op de wereld dan mensen die zich tegenwoordig “sceptisch” noemen over bijvoorbeeld klimaatwetenschap. Die laatste groep gelooft doorgaans juist niet in oordeelonthouding, en is het evenmin eens met het idee dat we niets met zekerheid kunnen weten.

Kort en bondig: wees passief.

Door naar het cynisme. Deze stroming ontstond eveneens in het oude Griekenland, ongeveer tussen 390 en 300 voor Christus, en vindt voor het eerst vorm in de gedachten van Diogenes van Sinope, of volgens anderen bij Antisthenes van Athene. De school lijkt vooral een voortzetting van het denken en leven van Socrates, en zet een levenswijze centraal in plaats van een theorie, zoals de meeste andere stromingen doen. Die levenswijze is er een van verwerping: verwerping van wereldse rijkdom en gewoontes. Een cynicus leeft “als een hond”, en daar komt de naam ook vandaan (cynisch betekent letterlijk honds in het Oudgrieks). Het is een leven trouw aan de natuur, waarin culturele luxe wordt afgewezen. Ook mag een cynicus nooit liegen of iets voor een ander verbergen, en dus leefde hij liefst zo naakt en onopgesmukt mogelijk. Dat klinkt nogal barbaars, maar er zit ook een mooie kant aan: het is een levensopvatting waarin je regels en verwachtingen loslaat en simpelweg leeft naar eigen inzicht. Uit ervaring zou dan blijken dat het meest bevredigende leven niet een van hedonisme is, maar juist van beperking.

Cynisme in deze strikte vorm hield het behoorlijk lang vol, tot in de vijfde eeuw na Christus, waarna het als levenswijze grotendeels verdween. Het woord zelf verdween echter niet uit onze taal: cynisme in de psychologie betekent tegenwoordig een wantrouwige houding tegenover andermans goede bedoelingen, gecombineerd met onverschilligheid voor de gevolgen van eigen daden. Dat heeft weinig meer met de oorspronkelijke filosofische stroming te maken.

Kort en bondig: doe je eigen ding, simpel en natuurgetrouw.

9. Epicurisme en stoïcisme

Epicurisme komt eveneens uit het oude Griekenland, maar kreeg ook veel aanhangers in het Romeinse Rijk. De stroming ontstond rond 310 voor Christus en bleef nog eeuwenlang populair, tot in de late oudheid. Grondlegger is Epicurus, een Griekse materialist die geloofde dat alle waarneembare verschijnselen in de wereld verklaarbaar zijn via materiële processen. Hij vond dat je vooral je grootste, meest duurzame genoegen in het leven moest nastreven, wat volgde uit zijn overtuiging dat we ons gedrag enkel kunnen baseren op wat we werkelijk om ons heen waarnemen.

Net als Pyrrho geloofde Epicurus dat de beste manier om dit te doen was door bescheiden te leven, en vooral kennis van de wereld te verwerven om te begrijpen wat je beperkte in het bereiken van plezier en wensen. Hieruit volgde volgens epicuristen ataraxie, een vorm van rustige, zorgeloze gemoedstoestand, en aponia, een volledige afwezigheid van fysieke en emotionele pijn, wat voor hen het hoogtepunt van welzijn was.

Je zou epicurisme een hedonistische filosofie kunnen noemen, in de zin dat het individuele genot als het enige “goede” in het leven ziet. Maar de praktische uitkomst, een sober leven leiden en veel tijd besteden aan het doorgronden van de wereld, lijkt weinig op hoe we hedonisme vandaag de dag opvatten. Een leuk detail: epicurisme was een van de weinige filosofieën uit de Griekse oudheid die openstond voor mensen uit alle sociale lagen, inclusief vrouwen, destijds sterk ondergewaardeerd, en slaven. Veel epicuristen waren bovendien vegetarisch, zoals Epicurus zelf, al schreef de leer dat nergens dwingend voor.

Kort en bondig: jaag het subtiele, kalme genot na.

Door naar de stoïcijnen. Ook het stoïcisme ontstond in het oude Griekenland, in Athene. De grondlegger is Zeno van Citium, en de kerngedachte is dat destructieve emoties voortkomen uit verkeerde oordelen, en dat een wijs mens daarom niet aan zulke emoties zou moeten lijden. Anders dan de epicuristen en cynici geloofde Zeno in een combinatie van rede en waarneming als bron van kennis.

Stoïcijnen hielden zich veel bezig met de wisselwerking tussen enerzijds een schijnbaar deterministische, materiële wereld van oorzaak en gevolg, en anderzijds de vrije wil van de mens. Hun oplossing: een wil (prohairesis) cultiveren die in harmonie leeft met die deterministische wereld. Volg dus je vrije wil, maar doe dat binnen de grenzen die de natuur je stelt. Stoïcijnen vonden bovendien dat je iemand beter kon beoordelen op wat hij deed dan op wat hij zei.

De stoïcijnse kalmte, zoals we het woord vandaag nog weleens gebruiken, komt van het idee dat een werkelijk wijs mens niet geraakt wordt door pech en tegenslag, maar alleen voldoening haalt uit een deugdzaam leven. Dat deugdzame leven zou voor de ware stoïcijn genoeg bron van geluk zijn, ongeacht materiële schade of onenigheid om hem of haar heen.

Kort en bondig: in beperking toont zich de meester.

8. Empirisme (1690-1770)

We maken nu een grote sprong, over het Romeinse Rijk, de Middeleeuwen en de Renaissance heen, naar de Verlichting, de periode waarin de (natuur)wetenschap zoals we die nu kennen haar oorsprong vindt. Empirisme is daar een belangrijk onderdeel van, samen met het rationalisme dat we hierna bespreken. Excuses vooraf aan alle tussenliggende stromingen: de Europese filosofie tussen het oude Griekenland en de Verlichting werd sterk gedomineerd door christelijke gedachten, en ook stromingen als islamitische filosofie en het neoplatonisme, om nog maar te zwijgen van de rijke filosofische tradities uit Azië, laten we hier omwille van de ruimte helaas liggen.

Grote namen binnen het empirisme zijn John Locke, vaak gezien als grondlegger, George Berkeley, David Hume en vele anderen. Net als sommige Oudgriekse stromingen geloofden deze Verlichte empiristen dat we alleen kennis kunnen vergaren via onze waarnemingen. Daaruit volgde voor hen dat de enige manier om kennis te verwerven is door aannames wetenschappelijk te toetsen. Empiristen geloofden bovendien dat in principe weinig of niets bij een mens vaststaat: iedereen begint als een tabula rasa, een onbeschreven blad, dat gaandeweg wordt ingevuld.

Het empirisme was aanvankelijk vooral een Britse aangelegenheid. De Verlichting splitste zich grofweg geografisch in twee kampen, en de empiristen vind je met name in Engeland. De continentale tegenhanger vind je bij de volgende stroming.

Kort en bondig: alle kennis komt van waarnemingen, dus onderzoek wetenschappelijk.

7. Rationalisme (1640-1800)

De moderne wetenschap ontstond zoals gezegd in de Verlichting, rond het jaar 1700, met twee filosofische benaderingen centraal: het empirisme hierboven, en het rationalisme.

Rationalisme was vooral een continentaal, West-Europees fenomeen, met bekende filosofen als René Descartes, Baruch de Spinoza en Gottfried Leibniz als grote namen. Centraal staat het idee dat niet waarneming, maar de rede onze belangrijkste bron van kennis is. Logische redenering moet ons helpen nieuwe kennis te verwerven. Zo redeneerde Descartes als eerste dat hij bestond, en dat dit het enige is wat hij zeker kon weten, puur door na te denken, niet door waar te nemen.

Rationalisten geloven zelfs dat er reden is om waarnemingen te wantrouwen, vertrouw je immers ook de waarnemingen in een droom of tijdens een hallucinatie? Alleen ideeën en waarheden die met rede kunnen worden onderbouwd, zijn volgens hen echt betrouwbaar.

Tegenwoordig is wetenschap vaak een mix van beide gedachtegangen, maar elke wetenschappelijke discipline heeft wel een duidelijke oorsprong in een van de twee. Experimentele natuurkunde en scheikunde leunen sterk op waarneming uit experimenten (empirisme), terwijl wiskunde en filosofie vaker draaien om wat we via rede en logica kunnen ontdekken (rationalisme).

Kort en bondig: volg altijd de rede.

6. Idealisme (1800-1900)

Na de Verlichting brak een tijdperk van vooruitgang aan: uitvindingen, schaalvergroting, commercialisering, maar ook grote armoede en oorlog, denk aan de Franse en Amerikaanse Revolutie. We noemen deze periode ook wel de industrialisatie. In deze roerige eeuw ontstond het idealisme, met Georg Wilhelm Friedrich Hegel als grote naam. Binnen het idealisme bestaan veel substromingen, maar ze delen allemaal het idee dat alleen objecten “in onze gedachten” werkelijkheidswaarde hebben. Fysieke, uiterlijke objecten hebben voor ons geen directe werkelijkheidswaarde, omdat we ze nooit rechtstreeks kunnen waarnemen, enkel het idee dat we ervan hebben.

Hegels idealisme redeneert dat als je het rationalisme serieus neemt, je moet concluderen dat we niets kunnen “weten” over de wereld om ons heen, alleen over de ideeën die we daarover denken te hebben. Er bestaat volgens deze stroming een soort gedeelde, spirituele “ideeën”-wereld tussen mensen, en die gedeelde ideeën zouden weleens de ware werkelijkheid kunnen zijn. Plato had eeuwen eerder al een vergelijkbare gedachte, bekend als zijn ideeënleer, maar pas via Hegel en zijn opvolgers werd dit soort denken echt populair onder filosofen.

Kort en bondig: grote, universele ideeën zijn de werkelijkheid.

5. Materialisme (1600-1900)

Eerder noemden we al Oudgriekse materialisten, maar pas later, tijdens de Verlichting en industrialisatie, ontstond er een echt populaire stroming binnen de intelligentsia: het materialisme. Bekende namen zijn Thomas Hobbes en Karl Marx, en het gedachtegoed van Charles Darwin gaf de stroming een flinke wetenschappelijke duw in de rug, al was Darwin zelf primair natuuronderzoeker en geen filosoof in de strikte zin. Binnen het materialisme geldt dat alles in de werkelijkheid, ook onze emoties, gedachten en “geest”, uiteindelijk terug te brengen is tot materie: atomen, elektronen en nog kleinere deeltjes.

Volgens materialisten kunnen we niets weten buiten onze fysieke wereld, en moeten we dus uitgaan van wat we daarin kunnen vinden. Net als empiristen, en let op, empiristen zijn vaak ook materialisten en andersom, geloven materialisten in een kenbare wereld die je via waarneming en natuurwetten kunt begrijpen. Er is volgens hen niets “hogers” dan het materiële: geen ziel, geen God, tenzij die God zelf materieel en aan natuurwetten gebonden zou zijn.

Kort en bondig: houd je bij het fysieke.

4. Fenomenologie (1879-1930)

Met fenomenologie komen we eindelijk aan bij de moderne filosofie. De naam komt van het Oudgriekse phainomenon (het zichtbare) en logos (leer), wat op zichzelf nog weinig zegt. Fenomenologie draait om ervaring, specifiek de directe, intuïtieve ervaring van verschijnselen, en probeert daaruit de essentiële eigenschappen af te leiden.

De onderliggende gedachte is dat als kennis afhankelijk is van hoe onze eigen hersenprocessen werken, we via gedachte-analyse alsnog tot kennis van de werkelijkheid kunnen komen. Het is zo een manier om het idealistische idee dat niets “buiten de gedachten” kenbaar is, te omzeilen. Zie je een stoel, dan zie je die als idee in je hoofd. Een fenomenoloog vraagt zich vervolgens af wat de essentiële eigenschappen van zo’n idee zijn, en wat niet. De kleur van de stof is misschien niet essentieel voor een stoel, maar het aantal poten? Is een stoel met drie of vijf poten nog een stoel? Fenomenologen buigen zich overigens niet zozeer over de essentie van stoelen zelf, maar over de essentie van wat we ervaren, iets veel minder grijpbaars dan een stoel. Een belangrijk begrip hierbij is intentionaliteit: het idee dat al ons denken en ervaren altijd op iets anders gericht is.

Fenomenologie stamt oorspronkelijk uit de school van Franz Brentano, maar het meeste materiaal komt van Edmund Husserl. Ook de bekende filosoof Martin Heidegger werkte binnen deze stroming, evenals Jean-Paul Sartre.

Kort en bondig: analyseer de geest.

3. Existentialisme (1850-1950)

Existentialisme is zowel een filosofische als een literaire stroming, waarbij subjectiviteit centraal staat. Ieder mens is uniek en dus verantwoordelijk voor zijn eigen daden én zijn eigen lot. Bij afwezigheid van een almachtige God moet iedereen volgens deze filosofie zelf betekenis geven aan een anders volstrekt zinloos leven. Doe je dat niet, dan moet je op zijn minst accepteren dat het leven volledig zinloos is.

Belangrijke existentialisten zijn onder anderen Friedrich Nietzsche, Søren Kierkegaard en Jean-Paul Sartre. Binnen het existentialisme lopen de opvattingen soms dramatisch uiteen, ook wel eens bij dezelfde filosoof op verschillende momenten in zijn leven. Wat ze allemaal gemeen hebben, is de nadruk op persoonlijke uniekheid, vrijheid en verantwoordelijkheid voor je eigen keuzes.

Kort en bondig: leven betekent keuzes maken, leef vervolgens naar die keuzes.

2. Pragmatisme (1880-1980)

Pragmatisten staan bekend om de manier waarop ze filosofische theorie met de praktijk verbinden. Volgens het pragmatisme staan die twee nooit echt los van elkaar. Hun bekendste stelling is de pragmatische waarheidstheorie: iets is waar als het in de praktijk werkt. Heeft iets praktisch nut of maatschappelijk voordeel, dan kan het waar zijn, terwijl datzelfde in een andere situatie misschien niet opgaat. Die schijnbare tegenstrijdigheid stoort een pragmatist niet: in hun definitie kan een waarheid in de ene situatie waar zijn, en in de andere niet.

Pragmatisme is een van de eerste grote stromingen in de westerse filosofie die niet in Europa ontstond, maar in Amerika. Charles Sanders Peirce, William James, John Dewey en Willard Van Orman Quine waren stuk voor stuk Amerikaanse filosofen en grondleggers van deze stroming.

Kort en bondig: volg wat werkt.

1. Postmodernisme (jaren 60 tot heden)

Zoals de naam al suggereert, is het postmodernisme een reactie op het modernisme, en het is behalve een filosofische ook een kunststroming. Postmodernisten trekken graag zaken in twijfel, met name concepten als de Waarheid en Authenticiteit. Ze geloven dat kennisvergaring altijd op wankele fundering rust: er is geen “beste” methode om de werkelijkheid te onderzoeken, en de mens is niet volledig autonoom of in staat om volledig bewust eigen keuzes te maken, door het onderbewuste, emoties, de invloed van anderen en niet in de laatste plaats taal zelf. Postmodernisten noemen dit “decentrering van het subject”: de mens gedraagt zich niet louter volgens bewuste rede, en communiceert slechts gebrekkig met anderen, omdat taal zelf altijd ruimte laat voor miscommunicatie en misverstand. Zelfkennis is daardoor al lastig, laat staan die kennis overdragen aan een ander. Pluralisme alom is het gevolg.

Het gevolg van al dat pluralisme is voor veel postmodernisten duidelijk: het enige wat je kunt doen, is meebewegen en zien waar het schip strandt, niet te veel verwachten, en zeker geen stabiele waarheid, wetenschap of ethiek nastreven. Bekende postmoderne denkers borduren voort op eerder genoemde fenomenologen, met namen als Jean Baudrillard, Jacques Derrida en Michel Foucault. Ludwig Wittgenstein wordt in dit rijtje ook vaak genoemd, maar dat verdient een kanttekening: Wittgenstein zelf wordt door de meeste filosofen juist tot de analytische traditie gerekend, niet tot het postmodernisme. Zijn latere werk over taalspelen was echter wel een belangrijke inspiratiebron voor postmoderne denkers als Derrida en Jean-François Lyotard, wat verklaart waarom zijn naam toch vaak in dit rijtje opduikt.

Kort en bondig: relax.

Tot slot nog een bonusstroming, noem het nummer 11 of 0, die niet in de lijst voorkwam maar die we niet willen overslaan: analytische filosofie. Deze stroming kreeg met name vanaf het begin van de twintigste eeuw grote invloed, zowel van Britse als Amerikaanse bodem, en is tot op vandaag de dominante stijl van filosoferen binnen de Engelstalige academische wereld. Mogelijk de bekendste denker is Bertrand Russell, een favoriet van de auteur van deze top tien. Centraal staat het geloof dat als we de zoektocht naar waarheid en werkelijkheid maar in kleine stukjes hakken en daar exacte logica en empirie op loslaten, we stap voor stap tot een steeds vollediger begrip van de werkelijkheid kunnen komen.

In het kort: analyseer alles in kleine deeltjes.

Meer in Geschiedenis

Reacties (2)

2 reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Populair in Geschiedenis