In romantische verhalen zijn middeleeuwse ridders nobele edellieden die in blinkend harnas voor hun vorst en een onbereikbare jonkvrouw vechten. De historische praktijk op de slagvelden van Europa en het Midden-Oosten was een stuk rauwer: achter de hoofse gedichten en toernooiregels ging een harde wereld schuil van zwaarbewapende cavalerie, politieke intriges, plunderingen en torenhoge losgelden.
Van een Duitse roofridder met een mechanische ijzeren prothese en een vermoorde Hollandse graaf tot kruisvaarders en de beroemdste legende uit de literatuur: dit zijn de tien beroemdste ridders uit de geschiedenis, aftellend van tien naar één.
10. Ulrich von Liechtenstein

Wie de speelfilm A Knight’s Tale (2001) heeft gezien, kent de naam die het personage van acteur Heath Ledger als dekmantel gebruikt op de toernooivelden. Die naam is ontleend aan een echt bestaande edelman en minnezanger uit het Oostenrijkse Stiermarken (circa 1200 – 1275). In zijn eigen tijd stond Ulrich niet zozeer bekend om grote veldslagen, maar om zijn extreme invulling van de hoofse liefde.
In zijn autobiografische dichtwerk Frauendienst uit 1255 beschrijft hij hoe hij ter ere van een onbereikbare adellijke dame verkleed als de godin Vrouwe Venus, compleet met witte vrouwenjurken en lange parelvlechten, van Venetië naar Bohemen trok. Onderweg daagde hij elke ridder uit voor een tweekamp en brak hij naar eigen zeggen ruim driehonderd lansen zonder één keer uit het zadel te worden gelicht.
9. Götz von Berlichingen

Tijdens het beleg van de Beierse stad Landshut in juni 1504 sloeg een verdwaalde kanonskogel uit zijn eigen kamp tegen het zwaardgevest van de vierentwintigjarige Duitse rijksridder Götz von Berlichingen (1480 – 1562), waardoor zijn rechteronderarm bij de pols werd verbrijzeld. Voor elke andere edelman had die verminking het einde van zijn militaire loopbaan betekend, maar Götz liet door een lokale wapensmid en horlogemaker een fijnmechanische ijzeren kunsthand vervaardigen.
Met behulp van metalen bladveren, palradertjes en een drukknop kon hij de ijzeren vingers afzonderlijk om de greep van zijn zwaard, zijn lans, de paardenteugels en zelfs een ganzenveer klemmen. Met deze prothese, die nog altijd te bezichtigen is in het kasteelmuseum van Jagsthausen, bleef hij nog tientallen jaren actief als beruchte roofridder die koopmanskaravanen overviel en vetes uitvocht. Schrijver Johann Wolfgang von Goethe maakte hem in 1773 onsterfelijk met een toneelstuk waarin Götz een vijandelijke commandant trakteert op zijn beroemd geworden rauwe verwensing: dat die hem in zijn achterste kon likken.
8. Floris V van Holland

In oude Nederlandse schoolboeken en de bekende zwart-wittelevisieserie van regisseur Paul Verhoeven uit 1969 leeft graaf Floris V van Holland en Zeeland (1254 – 1296) voort onder de bijnaam der keerlen god: de god van de boeren.
Dat imago van nobele volksvriend klopt historisch slechts ten dele. Toen Floris tijdens het kerstfeest van 1295 in de Ridderzaal op het Haagse Binnenhof op één dag veertig rijke boeren tot ridder sloeg, deed hij dat niet uit sociale bewogenheid, maar uit keiharde machtspolitiek om de invloed van de opstandige Hollandse en Stichtse adel te breken.
Die vernedering en zijn plotselinge buitenlandse overstap van het Engelse naar het Franse kamp werden de graaf een halfjaar later fataal. Tijdens een gemanipuleerde valkenjacht bij Utrecht in juni 1296 namen samenzweerders onder leiding van Gijsbrecht van Amstel, Herman van Woerden en Gerard van Velsen hem gevangen in het Muiderslot. Toen ze hem na vijf dagen te paard wilden wegvoeren en onderweg bij Muiderberg werden klemgezet door woedende boeren en poorters uit Naarden, trok Gerard van Velsen zijn zwaard en bracht hij de geboeide graaf met eenentwintig steken om het leven.
7. Edward van Woodstock, de Zwarte Prins

Op zijn zestiende verdiende kroonprins Edward van Woodstock (1330 – 1376), de oudste zoon van de Engelse koning Edward III, zijn sporen in de voorhoede tijdens de Slag bij Crécy. Tien jaar later leidde hij bij Poitiers (1356) zelf het Engelse leger naar een verpletterende zege waarbij de Franse koning Jan II de Goede persoonlijk op het slagveld gevangen werd genomen. Volgens het ridderlijke gebruik bediende Edward zijn koninklijke gevangene die avond zelf eerbiedig aan tafel, al eiste Engeland vervolgens wel een astronomisch losgeld van miljoenen gouden kronen.
Opvallend genoeg heeft tijdens zijn eigen leven niemand hem ooit ‘de Zwarte Prins’ genoemd; tijdgenoten kenden hem uitsluitend als Edward van Woodstock of de Prins van Wales. De bijnaam Black Prince duikt pas ruim anderhalve eeuw na zijn dood voor het eerst op in zestiende-eeuwse kronieken, vermoedelijk als verwijzing naar zijn zwartgelakte toernooischild én de beruchte verwoestingen die zijn troepen aanrichtten op het Franse platteland. Tot een kroning kwam het nooit: Edward overleed in 1376 na een slepende ziekte, een jaar voor de dood van zijn vader.
6. Godfried van Bouillon

Om zijn uitrusting en het leger voor de Eerste Kruistocht in 1096 te kunnen betalen, verpandde hertog Godfried van Neder-Lotharingen (circa 1060 – 1100) zijn voorouderlijke kasteel in het Ardense Bouillon aan de prins-bisschop van Luik. Na een uitputtende veldtocht van drie jaar dwars door Klein-Azië en Syrië stond Godfried op 15 juli 1099 boven op een houten belegeringstoren en sprong hij als een van de eerste kruisvaarders op de stadsmuur van Jeruzalem. Nadat de stad na een bloedbad onder de islamitische en joodse inwoners was ingenomen, boden de leiders van het kruisvaardersleger hem de koningskroon aan. Godfried weigerde echter een gouden kroon te dragen op de plek waar Jezus Christus een doornenkroon had gedragen en koos voor de bescheiden titel Beschermer van het Heilig Graf. Hoewel hij precies een jaar later in Jeruzalem na een kort ziekbed overleed, schreven middeleeuwse herauten hem bij in de canon van de ‘Negen Besten’: de drie voorbeeldigste christelijke ridders uit de geschiedenis.
5. Willem de Maarschalk

Zijn leven had al op vijfjarige leeftijd kunnen eindigen in een slingerarm. Tijdens de Engelse burgeroorlog van 1152 leverde zijn vader de kleine Willem de Maarschalk (1147 – 1219) als gijzelaar uit aan koning Stefanus, om vervolgens doodleuk zijn kasteel te blijven verdedigen met de boodschap dat hij nog over “het aambeeld en de hamer beschikte om betere zonen te smeden”. De koning kreeg het niet over zijn hart om het jongetje met een katapult over de kasteelmuur te schieten en spaarde zijn leven. Als landloze jongere zoon klom Willem vervolgens via de keiharde toernooivelden van Noord-Frankrijk op tot een schatrijke beroepsvechter, die op zijn sterfbed terugrekende dat hij in zijn loopbaan zo’n vijfhonderd ridders uit het zadel had gestoten en voor losgeld had gevangengenomen.
Hij diende achtereenvolgens vijf Engelse vorsten en werd op bijna zeventigjarige leeftijd aangesteld als regent voor de negenjarige koning Hendrik III. Hij bekrachtigde de Magna Carta en voerde in mei 1217 in de straten van Lincoln persoonlijk de beslissende cavalerieaanval aan tegen een binnengevallen Frans leger. Bij zijn begrafenis in de Londense Temple Church noemde de aartsbisschop van Canterbury hem de beste ridder die ooit had geleefd.
4. Sir William Wallace

Op 11 september 1297 liet de Schotse opstandelingenleider William Wallace (circa 1270 – 1305) bij Stirling rustig duizenden zwaarbewapende Engelse ridders en boogschutters over een smalle houten brug over de rivier de Forth marcheren. Pas toen het Engelse leger in tweeën was gesplitst, gaf hij het bevel tot de aanval en slachtte zijn voetvolk met lange speren de ingesloten Engelse voorhoede af. Kort na die overwinning bij Stirling Bridge werd Wallace, die als jongere zoon uit de lage landadel stamde, officieel tot ridder geslagen en benoemd tot Guardian of Scotland.
Het beeld dat het grote publiek van Sir William Wallace heeft, is vrijwel volledig gevormd door de met vijf Oscars bekroonde speelfilm Braveheart (1995) van en met Mel Gibson. Historisch rammelt die film aan alle kanten: dertiende-eeuwse Schotse strijders vochten in harnas en maliënkolder en droegen nog helemaal geen geruite kilts (die pas in de zestiende eeuw opkwamen), ze verfden hun gezichten niet blauw met wede en de romantische verhaallijn waarin Wallace de Franse prinses Isabella bezwangert is fysiek onmogelijk, omdat zij ten tijde van de Slag bij Falkirk in 1298 een kleuter van drie jaar oud was.
Het gruwelijke einde uit de film klopt daarentegen tot in detail met de Engelse rechtsverslagen. Nadat hij in augustus 1305 bij Glasgow werd verraden en uitgeleverd aan de Engelse koning Edward I, werd Wallace in Londen veroordeeld wegens hoogverraad: hij werd achter paarden door de straten gesleept, opgehangen tot hij bijna stikte, nog levend ontmand en van zijn ingewanden ontdaan, en ten slotte onthoofd en in vier stukken gehakt.
3. Richard Leeuwenhart

Buiten het Britse parlement in Londen staat een groot ruiterstandbeeld van koning Richard I (1157 – 1199), maar de vorst zelf had bijzonder weinig op met het regenachtige eiland waarover hij regeerde. Richard sprak geen woord Engels, communiceerde in het Frans en het Zuid-Franse Occitaans en bracht van zijn tienjarige koningschap bij elkaar opgeteld slechts zes maanden op Engelse bodem door. Hij beschouwde zijn koninkrijk vooral als een belastingwingewest om zijn oorlogen te betalen en merkte ooit droog op dat hij Londen direct zou verkopen als hij een koper kon vinden. Als militair bevelhebber tijdens de Derde Kruistocht maakte hij zijn bijnaam Leeuwenhart echter volledig waar door zijn islamitische tegenstander Saladin in september 1191 een tactische nederlaag toe te brengen tijdens de Slag bij Arsuf.
Op de terugreis uit het Heilige Land werd hij bij Wenen herkend en gevangengenomen door hertog Leopold van Oostenrijk, waarna Engeland zich financieel moest uitkleden om het losgeld van 150.000 zilvermark op te hoesten. Vijf jaar na zijn vrijlating vond de koning een roemloos einde bij het beleg van het kleine Franse kasteeltje Châlus-Chabrol: toen hij zonder maliënkolder de muur inspecteerde, schoot een verdediger met een kruisboog een pijl in zijn schouder, waarna koudvuur hem binnen elf dagen fataal werd.
2. Rodrigo Díaz de Vivar (El Cid)

Weinig middeleeuwse figuren zijn zo sterk door legvorming en latere propaganda gekleurd als de elfde-eeuwse Castiliaanse edelman Rodrigo Díaz de Vivar (circa 1043 – 1099). In het beroemde Spaanse heldendicht Cantar de mio Cid en de Hollywoodfilm uit 1961 met Charlton Heston wordt hij geëerd als de vrome nationale bevrijder die Spanje op de Moren heroverde.
De historische werkelijkheid op het versnipperde Iberisch Schiereiland was een stuk pragmatischer. Nadat hij in 1081 na een conflict werd verbannen door de christelijke koning Alfonso VI van Castilië, trad Rodrigo jarenlang als huurling en legeraanvoerder in dienst van de islamitische emirs van Zaragoza, voor wie hij net zo makkelijk christelijke vorsten uit Aragón en Barcelona versloeg. Zelfs zijn beroemde erenaam is een samensmelting van beide culturen: El Cid komt van het Arabische al-Sayyid (‘de Heer’), terwijl de Spanjaarden hem El Campeador (‘de Meester van het Slagveld’) noemden.
Op het toppunt van zijn macht veroverde hij in 1094 na een slepend beleg de rijke kuststad Valencia, waar hij tot zijn dood in 1099 als een onafhankelijke vorst over zowel moslims als christenen heerste. Het bekende verhaal dat zijn weduwe Jimena zijn gebalsemde lichaam na zijn overlijden in het harnas hees en op zijn strijdros Babieca vastbond om het vijandelijke leger nog één keer op de vlucht te jagen, is historisch nooit gebeurd: die mythe werd pas een eeuw later opgeschreven door monniken van het klooster van San Pedro de Cardeña om pelgrims naar zijn graf te trekken.
1. Koning Arthur en de Ridders van de Ronde Tafel

Hoewel historici er al eeuwen over twisten of er rond het jaar 500 daadwerkelijk een Romano-Britse legeraanvoerder heeft bestaan die de binnenvallende Angelsaksen tegenhield, heeft geen enkele figuur het Europese ridderideaal zo diepgaand gevormd als koning Arthur. Vanaf de twaalfde eeuw bouwden kroniekschrijver Geoffrey van Monmouth en de Franse hofromanschrijver Chrétien de Troyes de oude Keltische volksverhalen uit tot een compleet universum rond het hof van Camelot, het magische zwaard Excalibur, de zoektocht naar de Heilige Graal en ridders als Lancelot, Walewein en Parcival die aan een ronde tafel zaten zodat niemand zich boven een ander verheven voelde.
De ironie wil dat deze literaire fictie het gedrag van échte middeleeuwse ridders en vorsten begon te sturen. Koningen als Edward I en Edward III van Engeland organiseerden grote steekspelen waarin hun edelen zich verkleedden als de ridders van Camelot, en rond 1290 liet het Engelse hof zelfs een reusachtige eikenhouten Ronde Tafel van vijfeneenhalve meter doorsnee en 1.200 kilo timmeren, die nog altijd aan de muur van de Great Hall in Winchester hangt. Toen de benedictijner monniken van Glastonbury Abbey in 1191 na een kostbare brand dringend geld nodig hadden voor de wederopbouw, groeven ze op hun terrein bovendien ’toevallig’ een graf op met een loden kruis waarop stond dat daar koning Arthur en koningin Guinevere lagen begraven: een vervalsing die eeuwenlang drommen betalende pelgrims trok.

En ridder graniet? Sterker dan ik kan niet????