Filosofie stelt de vragen waar de meeste mensen liever omheen lopen. Bestaat de wereld buiten mijn hoofd wel? Heeft het leven een doel? Is er zoiets als waarheid?
Soms leveren die vragen antwoorden op die eeuwen later nog steeds nauwelijks te bevatten zijn. Dit zijn tien filosofische stromingen die de grond onder het normale denken vandaan schoppen, van een man die in een aardewerken kruik woonde tot mensen die hun hersenen willen uploaden.
1. Cynisme

Diogenes van Sinope woonde in een pithos, een grote aardewerken voorraadkruik op de markt van Athene. Hij bezat een mantel, een tas en een beker, en die beker gooide hij weg toen hij een kind uit zijn handen zag drinken. Alles wat de samenleving belangrijk vindt, van bezit tot status tot goede manieren, beschouwde hij als aangeleerde onzin.
Toen Alexander de Grote hem opzocht en vroeg of hij iets voor hem kon doen, vroeg Diogenes of hij een stukje opzij wilde gaan omdat hij de zon tegenhield. Overdag liep hij met een lantaarn door de stad, op zoek naar een eerlijk mens. De Grieken noemden hem kynikos, hondachtig, vanwege zijn gewoonte om alles in het openbaar te doen wat honden ook doen. Hij nam die naam met plezier aan.
2. Solipsisme
Het solipsisme houdt vol dat je maar van één ding werkelijk zeker kunt zijn: je eigen bewustzijn. Alles daarbuiten, van andere mensen tot de stoel waarop je zit, zou net zo goed een voorstelling in je hoofd kunnen zijn. Je hebt namelijk geen enkele manier om buiten je eigen waarneming te stappen en te controleren of daar iets is.
Weerleggen laat het zich nauwelijks, maar volhouden lukt ook niemand. Bertrand Russell vertelde het verhaal van een filosofe die hem schreef dat zij overtuigd solipsist was en zich erover verbaasde dat er niet meer mensen zo dachten. Dat ze een brief schreef, en aan wie, kwam blijkbaar niet ter sprake.
3. Filosofisch pessimisme

Arthur Schopenhauer publiceerde in 1818 De wereld als wil en voorstelling, met daarin een even simpele als deprimerende stelling. Achter alles zit een blinde, doelloze drang die hij de Wil noemde. Die Wil rust nooit, dus verlangen we altijd naar iets. Krijgen we het, dan volgt kortstondige opluchting en daarna verveling, gevolgd door een nieuw verlangen.
Ontsnappen kan volgens hem alleen tijdelijk, via kunst, en het meest volledig via muziek, omdat die de Wil rechtstreeks hoorbaar maakt. Zijn eigen favoriet was overigens niet Beethoven maar Rossini, waarvan hij dagelijks aria’s op zijn fluit speelde. Voor iemand die het bestaan fundamenteel ellendig vond, leidde hij een opvallend geregeld leven, met vaste wandelingen en een reeks poedels.
4. Cyrenaïsch hedonisme

Aristippus van Cyrene was een leerling van Socrates die er een radicaal andere conclusie uit trok dan zijn medeleerlingen. Het hoogste goed is genot, oordeelde hij, en dan het lichamelijke genot van dit moment. Niet de rustige tevredenheid waar Epicurus later voor pleitte, maar het concrete plezier van nu, want de toekomst heb je niet in de hand en het verleden is voorbij.
Losbandig was hij daarmee niet per se. Over zijn relatie met de courtisane Laïs zou hij gezegd hebben dat hij haar bezat zonder door haar bezeten te worden. Precies daar zit het verschil met simpel genotzucht: je mag alles nemen, zolang niets jou neemt. Die zelfbeheersing bleek in de praktijk zo lastig dat de school binnen twee generaties uiteenviel, onder meer in een tak die concludeerde dat het leven de moeite niet waard was.
5. Pyrrhonisme

Pyrrho van Elis reisde met het leger van Alexander mee naar India en raakte daar volgens de overlevering onder de indruk van naakte Indiase wijzen. Terug in Griekenland kwam hij tot een systematische conclusie: tegenover elk argument staat een even sterk tegenargument, dus is elk stellig oordeel onhoudbaar. Zijn advies was om oordelen op te schorten, wat hij epochè noemde.
Wie dat consequent doet, zou volgens de latere pyrrhonist Sextus Empiricus ataraxia bereiken: een diepe onverstoorbaarheid, omdat je nergens meer aan vastzit. En nee, je verhongert er niet van. Pyrrhonisten volgden gewoon de verschijnselen, hun honger en de gewoonten van hun stad. Ze beweerden alleen niet langer te wéten dat het brood bestond.
6. Absurdisme

Albert Camus opende De mythe van Sisyfus in 1942 met de stelling dat er maar één werkelijk serieuze filosofische kwestie bestaat, en dat is de zelfmoord. Het absurde ontstaat volgens hem niet in de wereld en niet in de mens, maar precies tussen die twee in: wij vragen om zin, het universum zwijgt.
Zijn antwoord was niet berusting en al helemaal niet zelfmoord, maar opstand. Sisyfus, veroordeeld tot het eeuwig omhoogduwen van een rotsblok, is bij Camus een held omdat hij zijn lot volledig doorziet en toch doorgaat. Het boek eindigt met de zin dat we ons Sisyfus gelukkig moeten voorstellen. Camus verzette zich er overigens hevig tegen dat hij een existentialist werd genoemd, en met Sartre brak hij er uiteindelijk op.
7. Nihilisme
Het nihilisme in zijn hardste vorm zegt dat er geen betekenis is, geen moraal, geen doel en geen waarheid. De term raakte ingeburgerd door de Russische roman Vaders en zonen van Toergenjev uit 1862, waarin een jonge arts elk gezag en elk beginsel verwerpt. In Rusland werd nihilist daarna een politiek etiket.
Nietzsche wordt er vaak mee vereenzelvigd, maar hij zag het nihilisme juist als het probleem, niet als de oplossing. In zijn notities beschrijft hij het als de ongemakkelijkste gast die zich aandient, en die gast komt langs zodra de christelijke waarden hun geloofwaardigheid verliezen. Zijn hele project, van de Übermensch tot de herwaardering van alle waarden, was een poging om er iets tegenover te zetten.
8. Accidentalisme
Als er iets is waar filosofen en wetenschappers elkaar meestal in vinden, is het dat gebeurtenissen oorzaken hebben. Het accidentalisme zet daar vraagtekens bij en houdt vol dat echt toeval bestaat, dus toeval dat niet slechts een naam is voor oorzaken die we nog niet kennen.
Epicurus bedacht er in de derde eeuw voor Christus al een mechanisme voor: atomen vallen door de leegte en wijken af en toe zomaar een klein beetje af, zonder aanleiding. Zonder die afwijking, redeneerde hij, zou alles vastliggen en zou vrije wil onmogelijk zijn. Ruim tweeduizend jaar later stelde de Amerikaan Charles Sanders Peirce iets vergelijkbaars voor onder de naam tychisme: toeval is geen gebrek aan kennis maar een bouwsteen van de werkelijkheid. De kwantummechanica heeft dat idee sindsdien een stuk minder excentriek gemaakt.
9. Positivisme in zijn uiterste vorm

Auguste Comte begon nuchter. Alleen kennis die op waarneming en logica berust telt, stelde hij, en metafysica en theologie zijn achterhaalde fasen die de mensheid achter zich laat. Hij bedacht het woord sociologie en wilde de samenleving met dezelfde strengheid bestuderen als de natuurkunde.
Daarna sloeg het om. Comte ontwierp een Religie van de Mensheid, met priesters, sacramenten, tempels en een kalender van dertien maanden die vernoemd waren naar Homerus, Aristoteles, Gutenberg, Shakespeare en Descartes. Zichzelf benoemde hij tot hogepriester. Thomas Huxley noemde het katholicisme min het christendom. Toch hield het stand: in Brazilië staan nog altijd positivistische tempels, en de leus Ordem e Progresso op de Braziliaanse vlag komt rechtstreeks bij Comte vandaan.
10. Transhumanisme
De bioloog Julian Huxley gebruikte het woord transhumanisme in 1957 voor het idee dat de mens zichzelf zou moeten overstijgen, en dan niet als individu maar als soort. Inmiddels staat het voor een beweging die met technologie de biologische grenzen wil doorbreken: veroudering stoppen, het lichaam repareren of vervangen, en uiteindelijk het bewustzijn loskoppelen van het brein.

Sommige onderdelen bestaan al, van cochleaire implantaten tot experimentele hersen-computerinterfaces. Andere blijven voorlopig speculatie: het uploaden van een bewustzijn veronderstelt dat je precies weet wat bewustzijn is, en dat weet niemand. Cryonisme is er sinds 1967, toen psycholoog James Bedford als eerste mens werd ingevroren. Hij ligt er nog steeds, in afwachting van een techniek die nog niet bestaat.
Wat deze stromingen delen is dat ze een aanname wegnemen waar bijna iedereen op leunt. Dat de wereld buiten je hoofd bestaat, dat gebeurtenissen oorzaken hebben, dat je leven ergens over gaat. Haal er één weg en het bouwwerk wankelt onmiddellijk. Precies daarom blijven ze de moeite waard, ook als je ze onleefbaar vindt: pas als iemand een fundament onder je vandaan trekt, merk je dat je erop stond.

Reageren